Operaweetjes

Foto: Marie Louise Nijsing
Foto: Marie Louise Nijsing

Akte
Een opera bestaat, net als veel toneelstukken uit akten ofwel bedrijven (hoofddelen), waarin de handelingen plaatshebben. Iedere akte bestaat weer uit scènes ofwel taferelen. Wanneer één of meerdere personages het toneel verlaten, begint een nieuwe scènes.

Aria (letterlijk lucht, adem)
Een lied voor één zanger, waarin hij of zij een gevoel tot uitdrukking kan brengen. In de oorspronkelijke vorm draagt de aria niet bij aan de handeling, het verhaal dat verteld wordt staat even stil, de toeschouwer is getuige van de gevoelsexpressie. De aria’s zijn vaak de vocale hoogtepunten van de opera: de ‘hits’.

Beicanto (Italiaans voor schone, mooie zang)
Italiaanse zangkunst tussen de zeventiende en de negentiende eeuw waarbij de klank zo natuurlijk en regelmatig mogelijk overgebracht moest worden. Belangrijk hierbij is (de schoonheid van de) klank, wat ten koste kan gaan van de dramatische expressie. De solozanger kreeg een belangrijke plaats in de voorstelling, omdat de componist hem de ruimte gaf voor een virtuoze versiering van de melodie. In de opera’s van de componisten Bellini, Donizetti, Rossini en Verdi komt het belcanto duidelijk naar voren.

Cavatina
Een kort, lyrisch zangstuk voor een solist.

Finale
Slotstuk van een groter muziekwerk. In opera is de finale de slotscène van een akte.

Libretto
De tekst van een opera. Soms schrijft de componist zelf het libretto, maar meestal is er een aparte tekstschrijver voor: de librettist.

Musical
In Amerika ontstane moderne vorm van opera of operette. Ook een musical vindt plaats in een decor en er wordt gezongen en geacteerd. Een groot verschil is de stemtechniek: operazangers worden opgeleid om onversterkt, dus zonder microfoon, te zingen. Verder is het showelement belangrijk.

Opera
Een toneelstuk op muziek. De acteurs in een opera zijn zangers die hun tekst niet uitspreken maar zingen. Omdat opera veel verschillende elementen in zich draagt (muziek, toneel, beeld, taal) noemen we het een complexe kunstvorm. Deze is ontstaan rond 1600 in Italië en was vanaf toen tot het begin van de twintigste eeuw onbetwist het toonaangevende muziekgenre.

Opera buffa (Italiaans voor vrolijke, komische opera)
Italiaans operagerne uit de achttiende en negentiende eeuw, dat voortkwam uit de Commedia dell’Arte (toneel). Aanvankelijk was de opera buffa een kort, komisch intermezzo dat in het begin van de achttiende eeuw in de pauze van een opera seria werd uitgevoerd. Op basis van deze eerste aanzetten ontwikkelde de opera buffa zich tot een zelfstandig operagenre. Voor de opera buffa werden vaak alledaagse, stereotype personages gebruikt, die in de vorm van een satire commentaar gaven op politieke en sociale situaties. De bekendste opera buffa is vermoedelijk Rossini’s Il Barbiere di Siviglia.

Opera seria (Italiaans voor ernstige opera)
Italiaans operagenre dat zich aan het einde van de zeventiende eeuw uit diverse stijlelementen ontwikkelde tot een theatergenre met een verheven karakter. De onderwerpen voor deze opera werden ontleend aan de mythologie, aan historische bronnen en aan de klassieke heldendrama’s uit de Griekse Oudheid en gingen meestal over hooggeplaatste personages.

Operette
Vrolijk muzikaal podiumgenre met gesproken dialogen, liederen en dansen, dat omstreeks 1850 in Parijs door Jacques Offenbach tot bloei werd gebracht. De operette, die ook ontstond als parodie op de opera, hield altijd rekening met de amusementsbehoefte van het publiek. Het tijdperk van de operette liep van circa 1850 tot circa 1950. Het fundamentele onderscheid met de opera ligt in de vrijmoedige, satirische of zoetsappige sentimentele ondertoon en de muziek en het thema zijn altijd luchtiger.

Ouverture
De opera opent meestel met een ouverture ofwel openingsstuk. In de ouverture speelt alleen het orkest. Er wordt nog niet gezongen. Er zijn delen van de muziek in verwerkt die later in de opera terugkomen.

Personage
Rol waarin de acteur/ zanger optreedt, karakter dat hij voorstelt.

Partij
Muziekgedeelte dat door een bepaalde stem of instrument uitgevoerd moet worden.

Partituur
De schriftelijke vastlegging van alle muzikale lijnen in een opera of ander muziekstuk. In de partituur worden alle noten van de gelijktijdig klinkende instrumenten van de het orkest en stemmen van de zangers onder elkaar weergegeven. De partituur geeft zo een exacte indruk van het verloop van de muziek. Voor de dirigent is de partituur onontbeerlijk bij de voorbereiding van de uitvoering. Hij leidt de opera muzikaal vanuit de partituur.

Recitatief (half zing, half praten)
De gezongen of gesproken tekst in een opera die aria’s of ensemblenummers verbindt. In het recitatief vindt de ontwikkeling van het verhaal plaats, dit in tegenstelling tot de aria die de emotionele reactie op het verhaal vertolkt. De verstaanbaarheid van het gezongen of gesproken woord in het recitatief is dan ook belangrijk. Er bestaat een onderschei tussen ‘recitativo secco’, dat alleen wordt begeleid door een snaarinstrument (bijvoorbeeld klavecimbel of cello) en het ‘recitativo accompagnato’, dat een uitgebreide begeleiding heeft.

Repetities
Door het operagezelschap wordt er een schema opgesteld waarin staat vermeld wanneer solisten en koorleden repeteren met de repetitor (pianist). Alle zangers moeten hun partij kennen voordat de repetities van start gaan. In een repetitieperiode (vier tot zes weken) vinden lees-, muzikale en toneelrepetities plaats, waarin scènes gerepeteerd worden.
Bij de Sitz- en Bühneprobe (zit- en toneelrepetitie) wordt de hele opera van begin tot eind gerepeteerd. Tijdens de Sitzprobe wordt met name het muzikale gedeelte behandeld en tijdens de Bühneprobe de regie. In de week voor de première zijn de voorgenerales (pianogenerale, voorgenerale met orkest en generale met orkest ook wel avant-première genoemd). Bij Opera Zuid wordt er vier weken in de Studio (repetitieruimte) gerepeteerd. Daarna, in de laatste twee weken vóór de première, vinden de repetities plaats in het premièretheater.

Rol
Als je bij zangers over een rol spreekt, wordt daarmee bedoeld het personage of karakter dat gespeeld of voorgesteld wordt.