De eigenzinnige wereld van Chabrier
Auteur Archief:Fanny Bartels
-
De eigenzinnige wereld van Chabrier
Laat een reactie achterEmmanuel Chabrier (1841–1894)
Chabrier groeide op als zoon van een advocaat in het plattelandsstadje Ambert in Puy-de-Dôme. Hij was al jong met muziek bezig: hij speelde piano en schreef composities. Chabrier was grotendeels autodidact, maar werd met enige regelmaat gecoacht door muziekprofessionals. Ondanks zijn liefde voor muziek, begon hij zijn werkzame leven als jurist bij het ministerie van Binnenlandse Zaken in Parijs. Hij bewoog zich al gauw tussen de avant-gardisten van de bruisende Parijse kunstwereld. Hij onderhield vriendschappen met kunstenaars als Claude Monet en Édouard Manet, en met schrijver Paul Verlaine. Naast zijn ambtenarenbaan bleef hij componeren en musiceren.Nieuw en uniek
Het ontbreken van een formele training aan een conservatorium werd en wordt door velen als Chabriers kracht gezien. Hij voelde de vrijheid om naar zijn eigen believen zijn muzikale idioom te vormen; ongehinderd door vaststaande structuren, zelfs niet door de strakke regels die de theaters in zijn tijd hanteerden. Zijn hang naar vernieuwing en zijn plek binnen de avant-gardistische literaire en artistieke kringen van Parijs maakten dat hij zich in geen enkel hokje liet plaatsen en weinig rekening hield met de verwachting van anderen. Wel luisterde hij naar discussies van zijn vrienden in de Parijse salons en liet hij zich inspireren door alles wat hij hoorde, las en zag. Dat resulteerde in een muzikale stijl die nieuw en uniek was. Juist daardoor werd hij een inspiratiebron voor componisten als Claude Debussy, Maurice Ravel en Francis Poulenc.Eigenzinnig
In het Parijs van Chabrier golden strikte regels binnen de operawereld, met duidelijke scheidslijnen tussen stijlen en speelplekken. Tegen die achtergrond ontwikkelde Chabrier zich als een eigenzinnig componist die zich niet liet vastleggen, maar elementen combineerde en naar zijn hand zette. Zijn bekendste toneelwerk, L’Étoile, is daar een treffend voorbeeld van. Het werk ging in première in het Théâtre des Bouffes-Parisiens en heeft een satirisch en speels karakter, een absurdistisch verhaal, een luchtige omgang met macht en karikaturale personages. Typische kenmerken van de opéra bouffe. Tegelijkertijd valt Chabriers verfijnde muzikale stijl op: zijn partituur zit vol verrassende harmonieën en kleurrijke orkestraties, die niet alleen komisch werken, maar ook een eigen muzikale samenhang creëren.Opstand
Wat Chabriers muziek verder bijzonder maakt, is de manier waarop lichtheid en complexiteit hand in hand gaan. Het impressionisme uit de beeldende kunst, dat in Chabriers Parijse tijd hoogtij vierde, was een grote inspiratiebron voor hem. Deze stroming staat in de schilderkunst bekend om de vlugge penseelstreken en het vatten van het verloop van tijd in beweging. Chabrier vertaalt deze nieuwe technieken in L’Étoile naar scherpe satire en speels muzikaal absurdisme. Hij gooit alle strikte regels overboord en ondermijnt de muzikale verwachtingen: cadensen worden uitgesteld, modulaties klinken op onverwachte momenten en ritmische accenten verschuiven subtiel. Tijdens de eerste orkestrepetities vanL’Étoile in 1877 zorgden deze nieuwe elementen voor een opstand; dít was het orkest niet gewend! Uiteindelijk opende de opera met veel succes, waarbij critici Chabriers muzikale eigenheid prezen. Toch werd het werk tijdens zijn leven slechts één keer opgevoerd.Klankkleur
In L’Étoile behandelt Chabrier het orkest niet als louter begeleiding, maar als een actieve verteller die een extra laag aan de opera toevoegt. Instrumentale kleuren karakteriseren situaties of leveren ironisch commentaar op wat er op scène gebeurt. Daarmee loopt hij vooruit op componisten als Debussy en Ravel, bij wie klankkleur en suggestie een centrale rol spelen. Tegelijkertijd zijn er momenten van tederheid waarin personages hun ware gevoelens blootleggen; een benadering die verwant is aan de invloed van Richard Wagner.Grote invloed
Het speelse, episodische karakter van de opéra bouffe wordt inL’Étoile verbonden met een zorgvuldig opgebouwde muzikale structuur. Juist die combinatie maakt de opera uniek. Tegelijkertijd slaat Chabrier met deze aanpak een brug tussen traditie en vernieuwing. Hij speelt met bestaande vormen, combineert ze en geeft ze een nieuwe diepgang en verfijning. Daarmee maakte hij de weg vrij voor een nieuwe stijl in de Franse muziekgeschiedenis, en had hij – ondanks zijn relatieve onbekendheid – een grote invloed op de vernieuwing van de Franse opera.Tekst: Joep Hupperetz
-
Tegenpolen in een absurde, maar bruisende wereld
Laat een reactie achterLazuli is een jongen met een grote vrijheidsdrang, hij is nieuwsgierig, flexibel en zelfstandig. Koning Ouf daarentegen is een beetje wereldvreemd, impulsief, egoïstisch; hij houdt van zijn eigen regels, maar ook van een goed feest. Hoe vertolken mezzosopraan Brenda Poupard en tenor Erik Slik deze karakters? En wat vinden ze van Chabriers eigenzinnige muziek? Hoewel hun rollen het grootste deel van de opera met elkaar overhoopliggen, kunnen Brenda en Erik het goed vinden, zo blijkt uit dit geanimeerde gesprek.
Hoe zouden jullie je personage omschrijven?
Brenda: ‘Lazuli is jong, maar heeft geen ouders meer; daardoor is hij heel zelfstandig. Hij reist rond om zijn waar te verkopen. Hij is sterk, optimistisch, heeft een enorme wilskracht en is best gelukkig met zijn leven. Totdat hij Laoula ziet en zijn wereld op z’n kop staat: hij is verliefd! Dat wil hij eigenlijk niet, maar flexibel als hij is, gaat hij mee met alles wat er daarna gebeurt.’
Erik: ‘Ouf…dat is me er eentje. Hij is impulsief en speels; hij weet hoe je een feestje bouwt. Maar hij is ook egoïstisch en dol op zijn zelfbedachte regels. Hij is een soort man-kind, met te veel macht om daar goed mee om te gaan én zonder echt klankbord, behalve misschien zijn hofastroloog Siroco. Oufs (kleine) wereld is absurd en híj́ staat aan het hoofd van die gekke wereld.’
Brenda: ‘Ze zijn echt elkaars tegenpolen. Ouf heeft geen idee hoe het er ergens anders aan toe gaat, terwijl Lazuli overal is geweest door zijn reizende bestaan. Ouf is van zijn regels, Lazuli is een vrije geest, die zijn eigen pad wil volgen.’Herkennen jullie iets van deze personages in jezelf?
Brenda:‘Ik ben natuurlijk geen jonge man, maar Lazuli staat me van al mijn rollen het meest na. Net als hij heb ik een grote vrijheidsdrang en ben ik nieuwsgierig. Ik kan ook heel kinderlijk reageren als iets me raakt en me om veel dingen blíj́ven verwonderen. Dat innerlijke kind ben ik (nog) niet verloren, dat helpt bij veel rollen die ik speel.’
Erik: ‘Ouf is natuurlijk wel heel extreem, maar ik zoek in mijn rollen altijd wel naar herkenbare elementen. Zo wil ik soms ook dat dingen op mijn manier gaan. Dat kan ik nu uitvergroten in mijn spel.’Hoe bereiden jullie je voor op zo’n relatief onbekende rol?
Erik: ‘Juist doordat er weinig voorbeelden zijn, ervaar ik meer vrijheid om deze rol zélf in te vullen. Het was ook een ontdekking om me te verdiepen in Chabriers muziek. Ik heb de partituur heel gedetailleerd bestudeerd. Maar tijdens repetities merk ik dat er nog steeds nieuwe lagen en details opduiken, waarmee we mogen spelen; heel fascinerend. Verder bereid ik me voor door veel te herhalen. Vooral de Franse dialogen moet ik echt hardop oefenen om de uitspraak en mondbewegingen in mijn spiergeheugen te krijgen.’
Brenda: ‘Die dialogen vind ik ook spannend, zelfs als Française. Als zanger krijg je daar in je opleiding vaak minder training in, dus daar besteed ik extra aandacht aan. Verder wil ik altijd, voor iedere rol, eerst zelf in de materie duiken – net als Lazuli. Pas daarna zoek ik andere uitvoeringen en vergelijk ik bijvoorbeeld de tempi.’Hoe zouden jullie Chabriers muziek omschrijven?
Brenda: ‘Geweldig.’ Erik: ‘Bruisend en levendig.’ Brenda: ‘Het is heel goed geschreven, grappig en slim.’ Erik: ‘En zo vrolijk, catchy; alsof je het al kent en meteen kunt meezingen. Terwijl zijn muziek – zeker in Nederland – nauwelijks wordt uitgevoerd.’ Brenda: ‘Soms doet het denken aan Disney, dan weer aan cabaret of Offenbach.’ Erik: ‘Maar jouw Ster-aria is juist heel lyrisch en emotioneel.’ Brenda: ‘Klopt, hij kiest steeds precies de juiste toon en emotie.’ Erik: ‘En hij kiest nooit het cliché. Wat ik ook zo leuk vind: als er meerdere coupletten zijn, verandert Chabrier telkens kleine details, alsof hij wil zeggen: speel ermee, maak het levendig.’Naar welke scènes kijken jullie het meest uit?
Erik: ‘Het Couplets du Pal! Daarin legt Ouf als een showman uit hoe de martelstoel, waarin Lazuli zal sterven, werkt. Het is absurd en theatraal; ik geniet er enorm van om die scène te spelen.’
Brenda: ‘Ik vind de nies-aria heel grappig, een beetje cartoonachtig. Ik voel me dan net die dwerg uit Sneeuwwitje (Erik: ‘Sneezy!’). Ontzettend leuk om te zingen en spelen. Hopelijk geniet het publiek er net zo van als wij!’Interview: Kyra Bertram
-
Niets is (niet) serieus
Laat een reactie achterDe werkelijkheid is nog gekker dan fictie. Geldt dat ook voor de absurdistische komedie L’Étoile van selfmade musicus Emmanuel Chabrier? Regisseur Matthew Eberhardt en muzikaal leider Nicolas Krüger zijn het erover eens. Net zoals ze beiden gek zijn op de fantasierijke muziek die de componist schreef én er beiden van overtuigd zijn dat de wereld van L’Étoile door véél méér mensen ontdekt moet worden. Een gesprek over absurditeit die logisch voelt en muziek die alle kanten op gaat.
L’Étoile balanceert tussen absurditeit en logica. Waar zit voor jou de kern van dit werk, Matthew?
Matthew: ‘Ook al is het stuk absurd, voor de karakters in het verhaal is hun gedrag volkomen logisch, gezien de situatie waarin ze zich bevinden. Ik hoop dat het publiek de regels van de eigen wereld even kan vergeten, zodat zij zichzelf kunnen onderdompelen in het universum van Koning Ouf. Pas als je na de voorstelling de realiteit weer in loopt, realiseer je je hoe gek het verhaal is. Hoewel, het is zoals dat gezegde: de werkelijkheid is vreemder dan fictie. Op een bepaalde manier isL’Étoile zó waar en levensecht, dat juist dát het absurd maakt. We proberen het publiek daarom een ander perspectief te bieden, een nieuwe blik op onze wereld.’Hoe zou je Chabriers muziek omschrijven, Nicolas?
Nicolas: ‘Chabrier was buitengewoon. Hij had geen muzikale opleiding, was eenselfmade musicus. Hij kwam van het platteland en verhuisde naar de hoofdstad waar hij vrienden werd met dé kunstenaars van zijn tijd. In zijn muziek hoor je zowel de chique salons van Parijs als het boerenland terug; zijn werk is aards én delicaat.’
Matthew: ‘Zijn muziek is voor iedereen!’
Nicolas: ‘Bovendien was Chabrier een visionair, altijd nieuwsgierig naar nieuwe expressievormen. Daarom werd hij zo bewonderd door componisten als Claude Debussy, Maurice Ravel en Francis Poulen. Hij was zijn tijd ver vooruit en liet zich niet beperken door wat dan ook. Hij vond zijn muziek uit terwijl hij componeerde.’
Matthew: ‘Het verhaal gaat dat hij geregeld op avonden met vrienden muziek improviseerde. Dan las hij een krantenartikel en dramatiseerde hij het verhaal meteen. Ik stel me voor dat hij L’Étoile ook op die manier componeerde. On the spot, terwijl het verhaal zich afspeelde in zijn hoofd. Hij kiest nooit het voor de hand liggende.’
Nicolas: ‘Precies, zijn muziek is humeurig, onvoorspelbaar, je weet nooit wat er komen gaat, que sera sera, zoals Siroco zegt. Het is ongelooflijk verrassend, innovatief en fantasievol. Chabrier probeerde altijd weer iets nieuws uit. En ja, soms is dat een béétje gek. Net als een kinderwereld: die kan ook in een oogwenk omslaan. Niets is heel serieus, maar niets is niet serieus.’Hoe beïnvloeden muziek en regie elkaar?
Matthew: ‘Ik hou ervan om te zien hoe de muziek dóór de mens gaat en wat ik daarmee kan doen in mijn regie. Muziek is niet tastbaar. Het moet eerst menselijk worden, geïnterpreteerd en gevoeld worden. Van daaruit bouwen we samen aan de vormgeving van de muziek en de regie.’
Nicolas: ‘Ik kom uit een theaterfamilie – mijn vader was regisseur – dus voor mij zijn dialogen even belangrijk als muziek. Dialogen zijn óók muziek; ze zijn het vervolg en de voorbereiding op de volgende muzikale lijn. Ik voel me een regisseur voor musici.’
Matthew: ‘Muziek in mijn oren!’Wat trekt jullie aan in satirische komedie?
Matthew: ‘Het voelt heel natuurlijk. Komedie is het echte leven: hoe je de wereld ziet, hoe je met situaties omgaat. Neem Oufs verjaardag; wat verwacht hij, hoe opent hij zijn cadeautjes? Het is heel concreet en herkenbaar.’
Nicolas: ‘Maar komedie is… niet gemakkelijk! Men zegt dat dirigenten moeten beginnen met komedie, met Opéra Bouffe, want als je dát kunt, kun je alles. Het is snel, ritmisch, grillig. Er is geen emotionele ruimte zoals in een romantische aria. Je moet scherp zijn, precies in tempo en timing. Die uitdaging vind ik heerlijk.’Hoe hopen jullie dat het publiek na afloop van L’Étoile naar buiten loopt?
Matthew: ‘Dat ze denken: hoe is het mogelijk dat we dit niet kenden? Dat ze zich vermaakt hebben én onze wereld net iets anders bekijken.’
Nicolas: ‘Dat ze de naam Chabrier onthouden. En met open ogen en oren naar huis gaan, om de wereld te herontdekken, als kinderen.’Interview: Kyra Bertram
-
Les Enfants Terribles x The Dreamers in Filmhuis Lumière
Laat een reactie achterFilmhuis Lumière
Op woensdag 4 maart presenteert Lumière in samenwerking met Opera Zuid The Dreamers (2003) van Bernardo Bertolucci. De film sluit aan bij OZ-opera Les Enfants Terribles (14 t/m 24 maart). Beide werken vinden hun oorsprong in de gelijknamige roman van Jean Cocteau uit 1929.
The Dreamers is geen directe verfilming van de roman of de opera, maar een vrije interpretatie binnen hetzelfde literaire universum. Bertolucci plaatst het verhaal in het Parijs van 1968 en verkent verwante thema’s als jeugd, intimiteit en escapisme, en de botsing tussen een afgesloten fantasiewereld en de maatschappelijke realiteit daarbuiten.
Voorafgaand aan de film is er een Engelstalige introductie door OZ-dramaturg Joep Hupperetz en een live performance door een van de zangers en pianist.
Locatie:
Filmhuis Lumière, Maastricht
Tijdschema 4 maart 2026:
19:15u – zaal open
19:30u – Start introductie en performance
19:45u – Start film
Alle info & tickets via Lumiere.nl. -
Die Dreigroschenoper is één grote uitdaging
Laat een reactie achterZe houden er allebei van zich ergens in vast te bijten en hebben dat ook al méér dan eens samen gedaan. Maar hoe maken muzikaal leider Enrico Delamboye en zangeres Maartje Rammeloo Die Dreigroschenoper helemaal van zichzelf? ‘Er zijn weinig conventies waar je je aan moet houden; dat is heel verfrissend, maar ook uitdagend.’ Een gesprek tussen twee partners in crime over multitasken, connectie voelen en iets geheel eigens maken.
Enrico, Die Dreigroschenoper is vanwege de combinatie van muziekstijlen moeilijk in een hokje te plaatsen. Hoe zou jij dit werk omschrijven?
Enrico: ‘Als een pastiche de plaisir! Het is inderdaad een mengelmoes; er zit klassiek in, Sprechgesang, show- en musical-elementen…Juist die uitwisseling van stijlen vind ik heerlijk. Ik hou van het samenbrengen van een breed scala aan stijlen in één werk. Die Dreigroschenoper laat veel mogelijkheden open voor interpretatie en er zijn weinig klassieke conventies waar je je aan moet houden. Dat is heel verfrissend. We moeten zelf uitvinden hoe we dit werk aanpakken en dat is bij ieder deel anders. Maar hoe eenvoudig en simpel Die Dreigroschenoper mag klinken, het stuk vergt ontzettend veel stijlkennis, concentratie en kunde. Niet in de laatste plaats omdat ik de zangers in deze productie in mijn rug heb.’
Maartje: ‘We zijn gewend dat het orkest onder het toneel in de orkestbak zit. In die opstelling hebben de spelers vaak rechtstreeks oogcontact met de dirigent. Omdat het orkest en de dirigent nu achter op het toneel staan, moeten we Enrico’s slag op de monitor volgen en een soort energetisch lijntje zien te creëren…Zo zie je maar weer wat voor een bizar multitask-vak opera is; we moeten onze tekst onthouden, handelingen uitvoeren, kleding en attributen managen, vocaal technisch bezig zijn en ook nog instinctief samenzijn met alle mensen om ons heen.’
Maartje, dit is ook jouw eerste Die Dreigroschenoper, hoe bevalt deze Weill je?
Maartje: ‘Ik merk dat deze opera en de rol van Polly Peachum veel meer van mijn hoofd vraagt dan ik gewend ben. Ik hou ervan om emotioneel helemaal in een rol te kruipen en in mijn gevoel te zingen en te spelen. [lachend] Dat is nu precies wat Brecht níet wil, dat je een connectie voelt met je personage! Het publiek moet namelijk ook niet te veel voelen, maar nadenken. Maar ik vind het helemaal te gek om me de rol vocaal eigen te maken. Om alle techniekjes die ik in mijn rugzak heb tot één organisch geheel te maken, dat past bij de stijl en het karakter van het werk.’
Enrico: ‘Mag ik vertellen wat je me schreef?’
Maartje: ‘Nou vooruit.’
Enrico: ‘Ze stuurde mij voor aanvang van de repetities een berichtje met een oefenopname: is dit ongeveer de richting? Ik zei: het is prachtig, maar soms nog veel te mooi.’
Maartje: ‘Terwijl ik dacht: dit is helemaal uit mijn comfortzone, maar ik zit op de goede weg, grof, met veel focus op de tekst – en niet zozeer op klankschoonheid!’
Enrico: ‘Klassiek geschoolde zangers zijn zó getraind in alles mooi afwerken, polijsten, de connectie voelen. Terwijl, in deze opera ben je naast je rol een reflectief element, dat de rauwheid moet laten zien en horen: goed-gecoördineerd ongepolijst zeg maar. Ik vind dat een leuke uitdaging! Hoe onmogelijker iets lijkt, hoe leuker ik het vind…Maar, Maartje, wij kunnen altijd eerlijk en open tegen elkaar zijn, toch; dus je vond het niet erg dat ik dat zei?’
Maartje: ‘Nee, zeker niet! We werken al zo lang samen, ik vind het fijn om dit te kunnen bespreken. Wel vind ik het nog best spannend dat in de hoofden van veel toeschouwers vastligt hoe Weill moet klinken. Daarom vraag ik me nog af: Hoe kan ik het karakter voor me winnen, hoe maak ik dit van mezelf?’
Enrico: ‘Die Dreigroschenoper klinkt in iedere productie echt anders. Ook wij zijn verplicht om – met groot respect voor het origineel – onze eigen versie te maken. Ik verlang geen Lotte Lenya-sound van jou of de andere zangers, dat zou niet kloppen.’
Maartje: ‘Gelukkig hou ik ervan om mijn tanden ergens in te zetten en mezelf uit te dagen!’
Met welke mindset moet het publiek aan de voorstelling van Die Dreigroschenoper beginnen?
Maartje: ‘Zo blanco mogelijk!’
Enrico: ‘Hersenen meenemen en je oren!’
Maartje: ‘En alles wat je weet van Weill en Brecht thuislaten.’
Enrico: ‘Je gaat een stuk zien over het duistere van de mensheid…’
Maartje: ‘Dit stuk mag echt wel even doorsudderen na afloop. Brecht zegt ook dat het publiek niet moet voelen, maar veranderd de deur uit moet gaan. Dus hoe onbevangener je erin gaat, hoe meer je deze voorstelling op je in kan laten werken.’Interview: Kyra Bertram
-
Confrontatie én amusement in Die Dreigroschenoper
Laat een reactie achterDramaturgie. Wat houdt het in, wat doen dramaturgen en welke rol spelen zij in Die Dreigroschenoper? Toneelgroep Maastricht-dramaturg Ludo Costongs en Opera Zuid-dramaturg Joep Hupperetz werken samen aan dit iconische werk van Bertolt Brecht en Kurt Weill. Dat leidt tot een bijzonder gesprek over hun vak, episch theater en scherpe maatschappijkritiek verpakt in lekkere jazzy muziek.
Wat houdt dramaturgie precies in en wat is jullie rol bij Die Dreigroschenoper?
Joep: ‘Een dramaturg doet onderzoek naar de achtergrond van het te spelen stuk. Daarna is de dramaturg eigenlijk een eerste toeschouwer.’
Ludo: ‘Exact, een dramaturg kijkt of de handeling klopt bij de tekst, of helder is wat we zien en of dat overeenkomt met wat de regisseur wil overbrengen. We checken of de gedachtegang die de acteur uitspeelt logisch en goed te begrijpen is voor het publiek. Daarnaast heb ik mij beziggehouden met het vertalen en inkorten van Die Dreigroschenoper.’
Joep: ‘In de oorspronkelijke Dreigroschenoper waren de rollen geschreven voor acteurs en slechts één klassieke zanger. Wij hebben dat omgedraaid: onze Die Dreigroschenoper wordt gespeeld door één acteur die ook kan zingen en verder operazangers. Daardoor kunnen wij álle muziekstukken uitvoeren, inclusief de delen die destijds werden geschrapt omdat de acteurs ze zangtechnisch niet aankonden. Onze versie heeft hierdoor dus méér (originele!) muziek dan de ‘standaard’ uitgevoerde Dreigroschenoper.’
Wat wilden Brecht en Weill overbrengen met Die Dreigroschenoper?
Ludo: ‘Brecht maakte een bewerking van The Beggar’s Opera van John Gay uit 1728. In zijn nieuwe versie zette hij het leven van bedelaars centraal. Daarmee wilde hij in 1928 aandacht vragen voor een belangrijk sociaal thema: de omgang van de samenleving met de slachtoffers van de industrialisatie en de Eerste Wereldoorlog. Brecht en Weill wilden dat het publiek kritisch keek naar de slechte kanten van het kapitalisme. De boodschap werd alleen niet door iedereen opgepikt zoals ze hadden gehoopt.’
Joep: ‘Inderdaad, Die Dreigroschenoper werd goed ontvangen, maar niet per se vanwege de maatschappijkritiek. De muziekstukken werden bijvoorbeeld heel populair als popsongs en jazzhits… Terwijl Brecht en Weill juist hadden gedacht dat de combinatie van heftige, kritische teksten – de Moritat van Mackie Messer is een aanklacht tegen onopgeloste moorden en misdaden! – met vrolijke, dansbare klanken, vervreemdend zou werken voor het publiek.’Wat is de bedoeling van die vervreemding?
Joep: ‘Mensen moeten afstand voelen tot wat er op het toneel gebeurt, ze mogen vooral niet meegesleept worden, zoals in de Romantische opera. Dat noemde Brecht episch theater. Hij vond opera een uitstekende vorm om episch theater te maken, want zodra iemand begint te zingen, staat dat per definitie vér van de realiteit. Niemand staat tenslotte in het dagelijks leven zingend te ruziën.’
Ludo: ‘Het vervreemdingseffect is een techniek om het publiek bewust te maken van het feit dat het naar theater kijkt, met als doel dat toeschouwers worden uitgedaagd te reflecteren op hun eigen situatie of wereld. Dat effect creëer je bijvoorbeeld door een plotselinge verandering van licht, of doordat de zangers zich rechtstreeks tot het publiek richten. Door die stijlbreuk – die vervreemding – komt het personage of de actie opeens in een ander daglicht te staan. Zo dwingen Brecht en Weill de mensen in de zaal om na te denken over de situatie.’
Joep: ‘In onze voorstelling versterkt de boventiteling dat effect. Zeker bij de gezongen nummers klinkt de muziek licht en ritmisch, maar voegt het lezen van de tekst in je eigen taal er een andere lading aan toe, een extra directheid. De boodschap komt hierdoor harder aan.’
Waarom nú een opvoering van Die Dreigroschenoper?
Ludo: ‘We hebben de laatste jaren het hyperkapitalistische denken alle ruimte gegeven. Daardoor groeit de onvrede in de samenleving. Die Dreigroschenoper laat op een eenvoudige, maar scherpe manier zien wat er gebeurt als je dat denken tot het uiterste doorvoert; dat het dan helemaal niet vreemd is dat er onrust ontstaat. Het stuk geeft geen oplossing, maar het zet wel aan tot nadenken. Brecht geloofde dat de samenleving maakbaar is: we hebben haar zelf gemaakt tot wat ze nu is, dus kunnen we haar ook weer bijsturen. Zie het, herken het… doe er iets aan!’
Joep: ‘En op welke klanken kun je dat beter doen dan op de jazzy, cabareteske muziek van Weill? Die tegenstelling, dat spanningsveld tussen confrontatie en amusement, dát is de crux van Die Dreigroschenoper: het wringt aan alle kanten.’Interview: Kyra Bertram
-
Speeldieren op het operatoneel
Laat een reactie achterAllebei komen ze uit de toneelwereld en allebei storten ze zich nu vol overgave in Die Dreigroschenoper. We spreken regisseur Servé Hermans en acteur en zanger Maarten Heijmans als de repetities nét zijn begonnen. Hoe bevalt het om aan een opera te werken? Hoe zien ze Macheath? En wat vinden ze van de muziek van dit iconische meesterwerk?
Voor jullie allebei is Die Dreigroschenoper jullie operadebuut. Hoe bevalt dat?
Servé: ‘De hoop en de wens is dat toneel en opera elkaar in deze productie versterken, dat ze meer worden dan de som der delen. Er zitten heel veel scènes met gesproken tekst in, dus dit is echt voor speeldieren. De zangers zijn allemaal supergetalenteerd daarin. Ze vinden het leuk het avontuur aan te gaan. Dat voel je.’
Maarten: ‘Eens! Ik ben blij dat ik deze iconische rol van Macheath mag spelen. Dit stuk bevindt zich op het snijvlak tussen toneel en opera, dus het voelt voor mij niet gehéél vreemd.’
Hoe bevalt de samenwerking tussen jullie tot nu toe?
Maarten: ‘Ik heb het idee dat we elkaar goed begrijpen, ook omdat we uit dezelfde (toneel)wereld komen. En ik voel dat we allebei het beste voor hebben met de voorstelling. Dus ik vind het erg fijn om onderdeel van Servés regie te zijn.’
Servé: ‘Ik vind Maarten heel inspirerend en één van de meest complete acteur-zangers die er bestaan. Hij is een gevaarlijke acteur, maar ook komisch en hij krijgt het allemaal rondgezongen… Dat maakt hem uniek en voor mij de meest ideale Mackie Messer.’ Maarten [zachtjes]: ‘Wat leuk om te horen.’
Waar zit dat gevaarlijke in?
Servé: ‘Hij heeft een grote mate van onvoorspelbaarheid en creativiteit in zijn spel. Maarten vliegt het soms op zo’n bijzondere manier aan dat het helemaal klopt, maar anders is dan verwacht. Maartje [Rammeloo, red.] heeft dat ook in haar spel. Zij kan heel grillig spelen. Dat vind ik ongelooflijk leuk in dit stuk.’
Hoe hebben jullie je voorbereid op deze opera?
Maarten: ‘Net als voor een toneelstuk heb ik me ingelezen en ik heb de film van Die Dreigroschenoper gekeken. Operazangers kennen hun zangpartijen al vóórdat de repetities beginnen. Bij toneel is dat niet zo. Wij beginnen op dag één van de repetities. Maar gelukkig studeer ik de muziek vrij snel in, ik moet alleen nog even wennen aan de Duitse tekst, dat is voor mij het grootste ding tot nu toe.’
Servé: ‘Naast talloze gesprekken met teamleden, maak ik eindeloos veel tekeningetjes. Zo heb ik helder hoe de mise-en-scènes in elkaar zitten, hoe het stuk beweegt, van begin tot eind. Dus ik bedenk de algemene structuur, en verder kijk ik goed naar het aanbod van de spelers. Het belangrijkste daarbij is dat onze regie afstand biedt, vanwege het Verfremdungseffekt; volgens Brecht mag het publiek zich in principe niet identificeren met de personages, opdat de boodschap duidelijker binnenkomt. Daarom probeer ik de tekst zo schoon en neutraal mogelijk aan het publiek te serveren zodat de mensen zelf – mochten ze dat wensen – de thematiek er heel eenvoudig uit kunnen vissen.’
Maarten, hoe wil je Macheath neerzetten?
Maarten: ‘Macheath is een keiharde moordenaar, een charmante crimineel, en soms ook een beetje sukkelig. Hij draait de bak in, ontsnapt, maar belandt weer in de gevangenis omdat hij zo nodig de bevestiging van een vrouw wil hebben. Die gelaagdheid maakt deze rol ook zo leuk om te spelen. Als dingen elkaar tegenspreken of schuren, wordt het voor mij alleen maar interessanter.’
Wat vinden jullie van Weills eclectische muziek?
Servé: ‘Heel tof! De teksten zijn scherp, brutaal, hard, afschuwelijk, maar in de muziek zit iets troostrijks en ronds. Die combinatie vind ik übervet.’
Maarten: ‘De muziek vind ik niet echt mooi, eerder een beetje engig…circusachtig en soms ook speels en grappig.’
Hoe hopen jullie dat het publiek na afloop het theater uitloopt?
Maarten: ‘Ik hoop dat ze de melodielijntjes fluiten. Eventuele lessen die eruit zijn te halen… dat manifesteert zich in het onbewuste, in de tijd erna, maar niet op dat moment. Zo werkt theater volgens mij niet.’
Servé: ‘Dit stuk is humoristisch, maar het toont eigenlijk wel een rotwereld! We zien een samenleving waarin iedereen het beter wil maken voor zichzélf, niet – of zelfs ten koste van – de ander. Tja, hoe actueel wil je het hebben? Die Dreigroschenoper geeft een dystopisch beeld van wat je krijgt als een civilisatie is uitgeciviliseerd. Maar, ik maak géén politiek theater. En Die Dreigroschenoper zal je deze thematiek ook nooit op een strenge manier door de strot douwen. Het geeft je heerlijke muziek, kleurrijke personages, humor, zinnenprikkeling… en een wereld die totaal kapot is. Doe ermee wat je wilt.’Interview: Kyra Bertram
-
Nieuwe voorzitter en vicevoorzitter Raad van Toezicht
Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe voorzitter en vicevoorzitter Raad van ToezichtOpera Zuid is buitengewoon verheugd te kunnen aankondigen dat mevrouw Truze M. Lodder, vele jaren zakelijk directeur van De Nederlandse Opera (nu Nationale Opera & Ballet), bereid is gevonden het voorzitterschap van de Raad van Toezicht op zich te nemen. Als voorzitter volgt zij per 3 september a.s. Marc Heuvelmans op, die dan afscheid neemt vanwege het bereiken van de maximale zittingstermijn. Een andere stevige verrijking in de Raad van Toezicht is de heer Barry Braeken (directeur-bestuurder Weller Wonen Heerlen), die de functie van vicevoorzitter van de Raad van Toezicht op zich zal nemen.
Truze M. Lodder (Oud-Beijerland, 1948)
Truze Lodder was van 1987 t/m 2012 zakelijk directeur van De Nederlandse Opera, en werkte als zodanig vele jaren samen met artistiek directeur Pierre Audi (die helaas veel te jong overleed op 3 mei j.l.). Samen hebben zij De Nederlandse Opera internationaal op de kaart gezet, en hun vruchtbare samenwerking leidde tot onvergetelijke successen als de Monteverdi-cyclus, Wagners Der Ring des Nibelungen en Rêves d’un Marco Polo van Claude Vivier. Daarnaast bekleedde Truze Lodder vele toezicht- en bestuursfuncties, onder meer bij Donemus, het Van Gogh Museum, Opera Europa, de Universiteit Maastricht, Nationale Jeugdorkesten Nederland, het Stedelijk Museum, de Nederlandse Spoorwegen en Van Lanschot. Truze Lodder ontving diverse onderscheidingen: ze werd onder meer benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje Nassau en ontving de Frans Banninck Cocq Penning van de stad Amsterdam.Barry Braeken (Heerlen, 1975)
Barry Braeken is een geëngageerde bestuurder met diepe wortels in Heerlen, die zijn ervaring als docent geschiedenis en maatschappijleer en als ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen effectief inzet. Als voormalig wethouder combineert hij bestuurlijke ervaring met lokale betrokkenheid. Eerder was hij expomanager bij IBA Parkstad en speelde een sleutelrol in stedelijke vernieuwing. Barry Braeken is sinds 2021 directeur-bestuurder van Weller Wonen in Heerlen. Tot en met 2024 was hij voorzitter van de Raad van Toezicht bij Via Zuid. -
Blauwbaards Burcht te zien op OperaVision
Reacties uitgeschakeld voor Blauwbaards Burcht te zien op OperaVisionBlauwbaards Burcht (Opera van het Jaar 2024) van Béla Bartók is te zien op het streaming platform OperaVision!
Béla Bartóks opera is een psychologische thriller over de vraag hoeveel waarheid de liefde kan verdragen. Het muziekstuk vertelt het verhaal van Judith die trouwt met de mysterieuze Blauwbaard. In haar verlangen om hem te leren kennen, kan ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. De overrompelende muziek, waarin de Hongaarse componist met meesterhand alle registers van het orkest opentrekt, doet de rest.
‘Blauwbaards Burcht gaat over elkaar leren kennen, alles van elkaar willen weten en hoe dat ertoe kan leiden dat je delen van je innerlijk moet laten zien die je het liefst geheim wil houden voor de ander, misschien zelfs voor jezelf.’ – regisseur Kenza Koutchoukali
‘Bartóks muziek is menselijk, eerlijk en direct’. – muzikaal leider Duncan Ward
Geniet (nogmaals) van deze indrukwekkende opera met topsolisten Thomas Oliemans en Deirdre Angenent, in de regie van Kenza Koutchoukali en onder leiding van Duncan Ward, die zijn Philzuid als derde karakter op het podium laat schitteren.
Blauwbaards Burcht is te zien op operavision.eu tot en met 9 november 2025, 12.00 uur.
-
Die Dreigroschenoper gaat door!
Reacties uitgeschakeld voor Die Dreigroschenoper gaat door!Met de openingsproductie van seizoen 2025/2026 – Die Dreigroschenoper
(Kurt Weill & Bertolt Brecht) – gaat Opera Zuid een unieke samenwerking aan met een aantal podiumkunstenorganisaties uit Zuid-Nederland. Theater aan het Vrijthof, Opera Zuid, Toneelgroep Maastricht, Philzuid en PLT Theaters slaan de handen ineen voor de ontwikkeling van dit zinderende muziektheaterwerk, waarin zowel sociaal-artistieke doelstellingen als een nieuwe interpretatie van Brechts en Weills werk centraal staan.Opera Zuid ontvangt als BIS-instelling voor de Cultuurnota-periode 2025-2028 minder subsidie van de Rijksoverheid dan door de Raad voor Cultuur geadviseerd is en zal daarom ook de komende vier jaar vanuit de BIS een te beperkte subsidie-basis kennen. Die Dreigroschenoper wordt daarom mede mogelijk gemaakt door samenwerking met de partners en door aanvullende financiering van decentrale overheden, sponsoren en private fondsen: de Provincies Limburg en Noord-Brabant, Gemeente Maastricht, André en Marjorie Rieu, het VSB Fonds, Cultuurfonds, de Gubbels-Huijnen Foundation en Stichting Kanunnik Salden/Nieuwenhof. De aanvullende financiering is voor het grootste deel rond. In afwachting van de definitieve afronding van de fondsenwerfcampagne staat de Stichting Vrienden Philzuid middels een overbruggingskrediet garant voor doorgang van Die Dreigroschenoper.
Op dinsdag 29 april gaat de vervroegde kaartverkoop voor de voorstellingen in Theater aan het Vrijthof, Parktheater Eindhoven en PLT Theaters van start.